160222- Mokum Symphony-interview in Parool

22 febr. 2016 – groot interview in het Parool!

Uit: Het Parool, 22 februari 2016, PS32, 33

Het grote gebaar
Violist, dirigent en Mengelberg-bewonderaar Joan Berkhemer (1951) wil de Matthäus-Passion uitvoeren in Mengelbergstijl, dus met 400 man. Hij heeft er het orkest de Mokum Symphony voor opgericht.

door ERIK VOERMANS

Volgend jaar Pasen moet het gebeuren. Bachs Matthäus-Passion à la Willem Mengelberg, dus met een groot orkest en een enorme koorbezetting, zoals ‘De Baas’ dat zelf jaarlijks deed met zijn Concertgebouworkest tussen 1899 en 1943. Voor dirigent en violist Joan Berkhemer is het een langgekoesterde wens. Hij deed enkele jaren geleden al een poging, maar nu moet het er echt van komen. Hij heeft er zelfs een orkest voor opgericht, de Mokum Symphony. Het zoeken is nog naar een locatie. Ideaal en historisch juist zou natuurlijk de Grote Zaal van het Concertgebouw zijn, maar die huren kost al meteen 20.000 euro, en dan is er nog geen noot gespeeld. Er wordt nu gesproken over de Westergasfabriek en er is zelfs gespeeld met de gedachte aan de Ziggo Dome, aan een enorme show met filmbeelden, maar dat zou misschien toch niet helemaal in de geest van Mengelberg zijn.

Voor zijn reconstructie van de Matthäus heeft Berkhemer Mengelbergs opname uit 1939, die op plaat en cd is verschenen, als referentie. Berkhemer: “Ik ben dit al heel lang van plan. Een zeer romantische Matthäus, al noem ik het liever rembrandtesk. Bach heeft de passie geschreven met zeer grote gebaren. Twee orkesten, drie koren, zes solisten, drie orgels.”
“Het lijdensverhaal is natuurlijk ook het meest dramatische verhaal dat de mensheid kent. Het podium moet dus gevuld zijn met de wereld, in metaforische zin, was de gedachte van Mengelberg. Dus deed hij het met vierhonderd man. Zijn tegenpool in die dagen, dr. Anthon van der Horst, vond dat te pompeus. Hij deed het met 120 man. En tegenwoordig doen ze het met zeventien.”

Verschrikkelijk behandeld
Berkhemer is al heel lang diep gefascineerd door Mengelbergs Matthäus, maar zelf doen is een lastige onderneming. “Het idee is klein te beginnen met de jonge mensen met wie ik heb gewerkt, aangevuld met mensen uit het Concertgebouworkest die weliswaar met pensioen zijn, maar nog steeds in topvorm verkeren. Een leuke mix. We noemen het orkest Mokum Symphony.”
“Ik heb ervaring met de mengelbergiaanse speelstijl overbrengen op een orkest, want dat heb ik gedaan in Zeeland, met de Vierde Mahler. Het gaat om heel specifieke dingen als glissandi, rubati en portamenti, die nagenoeg volledig uit de uitvoeringspraktijk zijn verdwenen. Het gedachtegoed van Mengelberg is samen met zijn persoon na de oorlog totaal verguisd vanwege zijn lankmoedige houding jegens het nazidom tijdens WO II. En dat vind ik triest en onterecht. Ik bedoel, Furtwängler heeft wél onder de vlaggen met hakenkruizen voor Hitler en Goebbels staan dirigeren, terwijl hij in 1951 als held werd onthaald in Nederland. Mengelberg mocht niks meer. Die is verbannen en verschrikkelijk behandeld, en van ellende doodgegaan.”

Klein beginnen doet Berkhemer met de symfonieën van Beethoven. “Die waren voor Mengelberg heel belangrijk. Er liep ook een directe historische lijn, want Mengelbergs leraar was een leerling van Beethoven, en Mengelberg eerde die traditie. Als je leest over het spel van Beethoven en wat hij aan zijn leerlingen vertelde over hoe zijn werk moest worden gespeeld, kwam dat helemaal overeen met hoe Mengelberg het deed.”

“Er zijn in het langzame deel van de Pianosonate in D, waar Largo staat, zestien verschillende tempi geteld bij een uitvoering van Beethoven. Hij gebruikte de tijd als uitdrukkingsmiddel. Dat was in die dagen heel gewoon. Ze keken wel op van zijn expressie, zijn verschillen in klankvolume, maar die vrijheid is er altijd geweest; die is rechtstreeks terug te voeren op de improvisaties in de baroktijd. Het rubato is pas verdwenen na de oorlog, toen alles veel strakker werd in de uitvoeringspraktijk.”

Huiskamerconcerten
“Wij kunnen met 43 mensen alle symfonieën en de pianoconcerten spelen, verdeeld over zeven concerten. Het eerste concert is 28 mei, met Beethovens Achtste symfonie en het Vierde pianoconcert.”

“Om het orkest te vormen moesten we muzikanten benaderen, en ze wilden allemaal graag meedoen. Ook zij verlangden ernaar Beethoven weer te kunnen spelen met uitdrukking. Ook zij wilden afscheid nemen van al die regels waardoor je je emoties alleen maar op een geabstraheerde manier kwijt kunt. Ik dacht dat ik een eenzame gek was, maar nu blijkt dat geenszins het geval.”

“Ik had dus al heel snel een fantastisch leuk orkest bij elkaar. Ze zijn allemaal zo goed dat er kamermuziekensembles zijn gevormd waarmee we huiskamerconcerten geven bij welgestelden, om te kijken of we daar sponsoring kunnen vinden. Dan hou ik een praatje, ook achter de piano, over de verschillen in speelstijl, en ik laat cd-fragmenten horen. Ik laat bijvoorbeeld in mijn verschrikkelijke arrogantie horen hoe ik denk dat de Mondscheinsonate bij Beethoven kan hebben geklonken.”

Waarden van weleer
Hij loopt naar de piano en speelt het voor. Eerst de gemiddelde moderne uitvoering, dan zoals hij denkt dat het moet, als de muziek ‘los is van de tel’, wat neerkomt op voortdurende microvertragingen en versnellingen, accentueringen, crescendi en decrescendi. “Op het conservatorium wordt je afgeleerd dat je wilt versnellen bij een crescendo, maar dat moet je juist wel doen. Zo kleur je en time je en ben je volkomen los van de tel.”
Over hoe de zogenoemde authentici Beethoven en Bach spelen, is hij kritisch. Maar houd hem ten goede: “Alle misverstanden moeten en mogen er zijn, want ze horen bij onze tijd en ik verwerp ze niet. Ik wil ook niet terug in de tijd. Dat kan namelijk niet. Ik ben een modern musicus, ik kan niet doen alsof ik in de negentiende eeuw rondloop.”

“Maar wat wel mogelijk is, is waarden van weleer, een traditie, terugbrengen. Het heeft me altijd verbaasd, ook al in mijn studietijd, hoe weinig interesse er is in oude opnamen. Nu met YouTube is alles veel bereikbaarder, maar als ik voorheen met muziekstudenten sprak, wisten ze niet wie Heifetz was, of Menuhin. Ik kijk altijd met veel plezier naar Roger Federer, omdat hij al die namen uit het verleden kent, en zelfs uitslagen. Of schakers. Ook violisten zouden moeten kijken naar hoe die violisten uit het verleden een vioolconcert van Mendelssohn openden.”

Het sleutelbegrip voor Berkhemer is ‘het grote gebaar’. “Mijn bezwaar tegen de authentieken is dat er zo voorspelbaar wordt gespeeld. Nonvibrato op voorhoudingen bijvoorbeeld. Noten die juist leed hebben en worden opgelost. Dat is een in het protestantisme gewortelde angst voor emoties. Via de Mokum Symphony geef ik daarom masterclasses en workshops, want het is belangrijk dat die mensen weten dat je de beste klank krijgt als je die oude technieken gebruikt. Het mooiste zou zijn als iedereen op die manier speelt, al stel ik het niet verplicht hoor.”

Streekhouding
Centraal daarbij zijn de houding van strijkarm, de wijze waarop de strijkstok wordt gehanteerd en de afwezigheid van een schoudersteun bij violisten.
“Ik ben laat met vioolspelen begonnen. Op mijn dertiende. Mijn leraar wilde dat ik een schoudersteun ging gebruiken, maar ik haatte dat ding. Het deed pijn. Op plaatjes van grote violisten zag ik ook niemand met zo’n geval. Op mijn 31ste is het me gelukt zonder steun te leren spelen.”
Hij voelt een historisch gelijk, dat op filmpjes op YouTube van orkesten uit de jaren dertig zichtbaar wordt. “Er is een fascinerende film van Mengelberg en het Concertgebouworkest in Parijs, waar ze in een filmstudio speelden die was omgetoverd tot Concertgebouw. Ze spelen Bizet, Gounod en in het Adagio uit de Arlésienne suite van Bizet zie je de camera langs de orkestleden gaan. Geen schoudersteun te zien!” (zie grote foto)

“En hoe ze die strijkstokken vasthouden! Dat is veranderd, onder invloed van The Juilliard School en Ivan Galamian, die om een grotere toon te produceren zijn vingers van zijn stokhand ging spreiden. Volume was belangrijker dan nuance. Maar vroeger werd de strijkstok zo vastgehouden dat het gewicht van de arm werd gebruikt om de toon te maken. De Heifetz-streekhouding. In het Concertgebouworkest speelden ze allemaal zo, je kunt het op dat filmpje zien. Je kan zo veel meer nuances maken, veel sneller van kleur wisselen. En dat streef ik met de Mokum Symphony ook na.”

Mokum Symphony o.l.v. Joan Berkhemer. Soliste: Patricia de la Vega (piano), Beethoven-Symfonie nr. 8 en Pianoconcert nr. 4. Keizersgrachtkerk, 28 mei, 20.15 uur.
www.mokumsymphony.nl