Mokum Symphony gaat een unieke uitvoering van de Matthäus Passion te geven. Het wordt een reconstructie van de manier waarop de grote Nederlandse dirigent Willem Mengelberg de passie jaarlijks van 1898 tot 1944 uitvoerde  waarmee hij de aanzet tot de Matthäus traditie in Nederland gaf. 

 Het lijdensverhaal is het belangrijkste verhaal der mensheid, vandaar dat Bach koos voor een grootse opzet: 3 koren, 2 orkesten en 6 solisten. Voor de oorlog was het niet abnormaal de Mattheus Passion met honderden mensen uit te voeren. Mengelberg koos voor een koor van 260, een kinderkoor van 60, een orkest van 74 en 6 solisten, samen 400 mensen. De verrassend goede geluidsopname uit 1939 die de Avro radio maakte dient als basis van de uitvoering die Berkhemer, Mokum Symphony, 3 koren en vooraanstaande solisten zullen geven in de paastijd van 2017. De ongegeneerde uitbarstingen van emoties, maar ook de fluisterzachte intiemste momenten die destijds het publiek deden huiveren zullen anno 2014 opnieuw worden beleefd; jonge mensen horen hoe in overgrootmoeders tijd Bach werd uitgevoerd, en ouderen kunnen na 70 jaar hun hart weer eens ophalen aan de romantische zeer extraverte stijl van weleer.

Matthäus Passion
In de vierde eeuw werd de passiegeschiedenis uitbundig herdacht. Op Witte Donderdag en Goede Vrijdag werden in Jeruzalem langdurige processies en diensten gehouden. Tijdens deze erediensten werden psalmen ten gehore gebracht en priesters zongen passages uit evangeliën voor. In een reisverslag uit het jaar 383 van de vrouwelijke pelgrim Egeria staat te lezen dat de aanwezigen daarbij een grote emotionele betrokkenheid toonden. Vanaf de negende eeuw werd het lijdensverhaal gedramatiseerd en zo ontwikkelde een eeuwenoude traditie zich tot een kunstvorm die zijn hoogtepunt vond in Bachs Matthäus Passion (1728). Na Bachs dood in 1750 geraakte de Matthäus Passion in vergetelheid. In 1829 deed de grote romantische componist Felix Mendelssohn de passie als een feniks uit de as herrijzen. Zijn uitvoering in de Sing-Akademie te Berlijn werd legendarisch.

Willem Mengelberg
In 1876 was de Matthäus Passion in Nederland voor het eerst te horen. De dirigent Woldemar Bagriel noemde het werk “het meest grootsche en bewonderenswaardige op het gansche gebied der toonkunst.” Willem Mengelberg dirigeerde in 1899 zijn eerste Mattheus in het Amsterdamse Concertgebouw. Daarmee begon een traditie die bijna zonder onderbreking duurde tot 1944. Mengelbergs interpretatie was gebaseerd op de uitgangspunten van Mendelssohn. Hij maakte een groot aantal coupures, zodat het publiek de spanningsboog intensief kon beleven; zijn uitvoering duurde zonder pauze twee uur en veertig minuten. Zonder coupures was het ruim vier uur geweest. Het klavecimbel werd in die dagen gezien als een curieus, onpraktisch instrument uit de oude tijd. Daarom werden de recitatieven begeleid op piano, die met punaises in de hamers geprepareerd werd om de klank van een klavecimbel te benaderen, maar waarbij de ruime en expressieve klank van de piano behouden bleef.

Bach beschikte door geldgebrek tot zijn grote verdriet en frustratie over een koor van maar zeventien zangers. Mengelbergs koor telde maar liefst tweehonderzestig zielen. Hierdoor kon hij de dramatische expressie in alle massaliteit uitdrukken. Willem Mengelberg zag zichzelf als een integer medium tussen de componist en het publiek. Met zijn onnavolgbare rubati, klankkleuren en portamentie legde hij de ziel bloot van de partituren die hij dirigeerde. Zijn uitvoeringen waren zeer geliefd en werden tot ver over de grenzen geprezen. Zo werd Mengelberg in 1908 met zijn Concertgebouworkest, zes solisten, het toonkunstkoor, het jongenskoor van de Vereniging van den Volkszang, uitgenodigd om uitvoeringen te verzorgen in het Trocadéro te Parijs.

In 1934 aanvaarde Willem Mengelberg een bijzonder hoogleraarschap aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. In zijn inaugurale rede benadrukte hij dat het tot klinken brengen van Bachs Matthäus Passie alleen kan geschieden “uit den geest en de techniek van den tijd waarin de uitvoering plaats heeft” en dat hij zijn keuzes daarbij zeer bewust maakte. Een poging een uitvoering te geven zoals die in Bachs tijd geklonken moet hebben zou “elke levende schoonheidsontroering missen en slechts een geschiedkundige waarde hebben.” Vooral in de langzame delen maakt Mengelberg gebruik van vrijheden die voor hedendaagse oren zeer romantisch aandoen. Mengelberg modelleerde deze weloverwogen en met grote innerlijke zekerheid en overtuiging. Daardoor ervaart men bij het beluisteren van de opname uit 1939 een gloedvolle en onontkoombare muzikale waarheid. Het luisteren naar de Matthäus van Mengelberg was destijds voor honderdduizenden een diepe muzikale en verheven ervaring. De opname van de Avro uit 1939 is een monumentaal document. Deze opname laat ons anno nu getuige zijn van een “Rembrandteske” Matthäus Passion, die aan alle dramatische aspecten van het lijdensverhaal een ongeëvenaarde inhoud geeft.

Een reconstructie
 Joan Berkhemer zal een reconstructie leiden van een ‘vooroorlogse’ Matthäus Passion. Deze uitvoering wordt groots opgezet met ruim driehonderd medewerkers. De stijl zal van een romantische signatuur zijn. Het reusachtige koor, een 70 koppig Mokum Symphony en 6 solisten worden getraind in de ouderwetse stijl van de jaren dertig zoals die onder Mengelberg heeft geklonken. De uitvoering zal elementen bevatten die passen in de grote, romantische traditie die Mendelssohn had ingezet. Het vibrato, het rubato en het portamento mogen Bachs muziek weer ongegeneerd dienen. Grote klankverschillen, monumentale uitbundigheid, het zware verdriet van een stervende Heiland, schrijnende emoties en de bewogen devotie die dit heilige offer teweegbrengt; dit alles komt tot klinken via een machtige massa van honderden stemmen. Zangers en instrumentalisten mogen hun sentimenten weer ongeremd, zij het gestileerd, laten klinken om zo hun gevoelens te delen met de toehoorder.

De reconstructie wordt een klankmuseum. Berkhemer wil de beleving van weleer terugroepen en als het ware een levend kijkje nemen in de zielsgesteldheid van de vooroorlogse mens, die leefde in de tijd waarin er nog “gelachen en gehuild werd op straat.” Aangezien er een uniek document is uit 1939 – de opname van Mengelbergs Mattheus Passion – hoeven wij naar de uitvoeringspraktijk uit die jaren niet te raden. In dat opzicht kan de reconstructie “authentiek” klinken.

Het is Berkhemer er niet om te doen uitkomsten van voortschrijdend historisch inzicht in de uitvoeringspraktijk van oude muziek te weerleggen, noch is het zijn bedoeling de speelgewoonten van de jaren dertig van de vorige eeuw blijvend terug te brengen naar nu: muzikale smaak is immers aan de geest van de tijd gebonden. Het authentieke musiceren heeft echter de laatste dertig jaar een dermate grote stempel gedrukt op de Bach-uitvoeringen, dat het publiek recht heeft op een hernieuwde kennismaking met een andere waarheid. De vooroorlogse, romantische muzikale stijl was vaak zo overtuigend dat deze opnieuw gehoord mag worden, al is het éénmalig.

Berkhemer heeft bij monde van prof. Frits Zwart, Mengelberg biograaf en directeur van het Nederlands Muziek Instituut te den Haag, toestemming gekregen om in de archieven de partituur en het orkest materiaal van Mengelberg te bestuderen en te kopiëren.